4. Arrangeren en ontwikkelen

Indicatoren 
De docent toont aan dat hij: 
  • gebruik maakt van diverse vindplaatsen van digitaal leermateriaal en in staat is om hieruit zijn eigen (digitale, interactieve) leereenheid te arrangeren;
  • leermateriaal ontwikkelt voor een digitale omgeving waarbij rekening gehouden wordt met verschillen in niveau, interesse en tempo en wijze van leren en ontwikkelprincipes voor digitaal leermateriaal;
  • op de hoogte is van regels die gelden voor copyright en bekend is met diverse copyrightmodellen (bijvoorbeeld: ©, public domain, creative commons, Wikimedia commons, GNU).

3. Algemene didactiek

Indicatoren 
De docent toont aan dat hij: 
  • de benodigde hard- en software organiseert, rekening houdend met de procedures binnen de school;
  • voor aanvang van een les de benodigde ICT middelen op juiste werking getest heeft;
  • bij storingen op de computer zodanig kan handelen dat de les er zo min mogelijk door wordt verstoord;
  • de regels kent die gelden voor computergebruik op school, samen met collega's ICT gedragscodes ontwikkelt en deze kan uit dragen richting leerlingen.
Indicatoren didactiek
De docent toont aan dat hij:
  • ICT middelen in verschillende, daarvoor geschikte, onderwijssituaties/-activiteiten kan gebruiken en zijn keus kan beredeneren;
  • in staat is om met behulp van de -onder instrumentele vaardigheden - genoemde softwarepakketten zijn lessen digitaal voor te bereiden;
  • digitale leermiddelen kan inzetten om leerlingen te motiveren en stimuleren;
  • rekening houdt met verschillen in niveau, interesse, leerstijl en werktempo van leerlingen bij het geven van opdrachten.

2. Informatie vaardigheden

Indicatoren 
De docent toont aan dat hij: 
  • voor leerlingen geschikte en betrouwbare digitale leerbronnen kan selecteren, passend bij hun leeftijd, sociaal-emotionele en morele ontwikkeling;
  • sites kan beoordelen op betrouwbaarheid en authenticiteit en het belang hiervan kan overbrengen op zijn leerlingen;
  • leerlingen kan leren om informatie doelmatig en doeltreffend te zoeken en te vinden;
  • leerlingen kan wapenen tegen de risico's van internetgebruik.

1. Instrumentele vaardigheden

Indicatoren 
De docent toont aan dat hij: 
  • over algemene kennis van ICT beschikt en de vaardigheden ten aanzien van bestandsbeheer beheerst;
  • diverse hardware (beamer, digitaal schoolbord, digitale foto/videocamera) kan bedienen en aansluiten op de computer;
  • kan omgaan met een tekstverwerker;
  • kan werken met een spreadsheetprogramma;
  • kan werken met presentatiesoftware;
  • zijn weg kan vinden op het web (internet) en kan omgaan met digitale communicatiemiddelen (bijvoorbeeld mail en web 2.0 toepassingen als Wiki, Weblog, Google docs);
  • foto’s, video’s en audio digitaal kan maken en bewerken;
  • kan werken met de elektronische leeromgeving, (leerling gerelateerde) administratieve systemen, (educatieve) software, portfoliosoftware, toetsservicesystemen;
  • kan werken met een arrangeertool voor digitaal leermateriaal.

0. Attitude

Indicatoren 
De docent toont aan dat hij: 
  • zelfstandig, creatief, maar kritisch gebruik maakt van mogelijkheden van ICT in het onderwijs;
  • flexibel is in het gebruik van ICT en onderwijs;
  • samenwerking zoekt met collega’s die in een vergelijkbare situatie rondom ICT en onderwijs verkeren;
  • op de hoogte is van ontwikkelingen op het gebied van ICT en onderwijs;
  • in staat is om binnen zijn concrete werksituatie te reflecteren op zijn eigen handelen en de vorderingen van leerlingen.

 


Lees verder...